De leesvolgorde
De tabel volgt de volgorde van verschijnen. De verhaalvolgorde is anders: veel boeken spelen vóór Redwall, zoals Lord Brocktree, Martin the Warrior en Mossflower. Wij raden de publicatievolgorde aan, omdat Redwall de wereld introduceert; de chronologische volgorde staat in de FAQ.
Prijzen zijn indicatief: zo stonden ze op 13 oktober 2026 bij bol.com. Prijzen veranderen vaak; de prijs bij bol.com is leidend. De links naar bol.com zijn affiliate-links: koop je via zo'n link, dan krijgen wij een kleine vergoeding. Jij betaalt niets extra.
Rond de reeks
Redwall (televisieserie)
Tekenfilmserie uit 1999, gebaseerd op Redwall, Mattimeo en Martin the Warrior.
Orphans of Mossflower
Volgens Wikipedia verschijnt op 7 september 2027 een nieuw Redwall-boek, zestien jaar na de dood van Jacques. Verdere details zijn nog niet bekend.
Over Brian Jacques
Brian Jacques (1939–2011) groeide op in Liverpool, vlak bij de haven. Hij verliet op zijn vijftiende school en werd zeeman, en werkte daarna onder meer als havenarbeider, vrachtwagenchauffeur, buschauffeur en melkboer. Daarnaast schreef hij gedichten, verhalen en toneelstukken, en presenteerde hij twintig jaar een radioprogramma op BBC Radio Merseyside.
Als melkboer bezorgde hij bij een school voor blinde kinderen, waar hij ging voorlezen. Voor hen schreef hij Redwall, in een stijl vol geluiden, geuren en smaken zodat ze zich alles konden voorstellen. Na Redwall schreef hij ook de reeks Castaways of the Flying Dutchman.
Waar gaat elk deel over?
Geen spoilers over het deel zelf. Een samenvatting kan wel verwijzen naar wat in eerdere delen gebeurde, dus lees ze op volgorde.
1 · Redwall
Matthias is een jonge muis die veel liever een krijger zou zijn dan een novice in een abdij. Hij struikelt over zijn te grote sandalen, hij morst bij het eten en hij droomt van Martin de Krijger, de stichter en beschermer van Redwall, wiens beeltenis in het grote wandtapijt is geweven. Zolang het vrede is, blijft dat een dagdroom. De abdij ligt midden in het bos Mossflower, haar poorten staan open voor iedereen en de bewoners, muizen, mollen, egels, eekhoorns en otters, leven van hun tuinen, hun keuken en hun kelders. Die vrede eindigt wanneer Cluny the Scourge zich in de buurt vestigt. Cluny is een enorme rat met één oog en een giftige staartpunt, een aanvoerder die zijn horde met angst bijeenhoudt en die nog nooit iets heeft gezien dat hij niet kon innemen. De rode zandstenen muren van Redwall bevallen hem uitstekend: hij wil er zijn hoofdkwartier van maken. De abdij heeft geen leger, geen wapens en nauwelijks iemand die ooit heeft gevochten. Wat zij wel heeft, is een dikke muur, een kalme abt die niet in geweld gelooft, en een handvol bewoners die samen veel meer kunnen dan zij zelf denken: de dassin Constance, de eeuwenoude poortwachter Methuselah, de eeuwig hongerige haas Basil Stag Hare en de eekhoorn Jess. Matthias raakt ervan overtuigd dat de abdij alleen standhoudt als het legendarische zwaard van Martin de Krijger wordt teruggevonden. Niemand weet waar het ligt. Achter het wandtapijt duikt een raadsel op, en dat raadsel leidt naar een volgend raadsel: een schild, een windwijzer, een dak vol mussen met een eigen taal en eigen wetten, en uiteindelijk naar plekken waar geen abdijbewoner ooit heeft durven komen. Onderweg krijgt Matthias hulp van wezens die hem eerst hadden kunnen opeten, en tegenwerking van bondgenoten die zichzelf verkopen aan de hoogste bieder. Terwijl hij zoekt, beproeft Cluny de ene list na de andere op de muren van Redwall, want een belegering win je zelden met kracht alleen. Brian Jacques schreef dit boek oorspronkelijk als verhaal voor kinderen van een blindeninstituut in Liverpool, en dat is te merken: alles wordt zo beschreven dat je het voor je ziet, van de geur van dieppaddenstoelsoep tot het geluid van een klok in een toren. Redwall verscheen in 1986 en werd meteen een succes. Het groeide uit tot een reeks van tweeëntwintig romans, maar dit eerste deel staat nog op zichzelf: het bevat een paar elementen die in latere boeken zijn bijgesteld, en je hoeft er niets anders voor te hebben gelezen. Het boek is verdeeld in drie delen, De Muur, De Queeste en De Krijger, en het wisselt steeds tussen de belegering en de zoektocht. Daardoor gaat het even vaak over moed en vriendschap als over gedekte tafels, liedjes en grappen. Wie van avonturenverhalen houdt waarin dieren zich als mensen gedragen en waarin het eten net zo uitgebreid wordt beschreven als de gevechten, begint hier.
2 · Mossflower
Lang voordat de abdij van Redwall bestond, stond er in Mossflower een sombere burcht: Kotir, van waaruit de wilde kat Verdauga Greeneyes het bos in zijn greep houdt. De dieren van Mossflower moeten een deel van hun oogst afstaan, hun bewegingsvrijheid is beperkt en wie zich verzet verdwijnt in de kerkers. Wanneer een jonge muis uit het noorden het bos binnenloopt, gewapend met een zwaard dat hij van zijn vader kreeg, wordt hij opgepakt en voor de heersers van Kotir gebracht. Zijn zwaard wordt voor zijn ogen kapotgeslagen en hij belandt in de cel. Zijn naam is Martin. In de kerkers ontmoet Martin een tweede gevangene: Gonff, een zingende muizendief die is opgepakt omdat hij de voorraadkamers van Kotir wat te goed kende. De twee ontsnappen met hulp van de Corim, de verzetsraad van het bos, en vinden bij de bosbewoners onderdak. Daar wordt duidelijk hoe klein hun kansen zijn. Kotir heeft soldaten, Mossflower heeft mollen, egels en eekhoorns. Bella, een dassin die de raad leidt, ziet maar één uitweg: iemand moet naar het westen reizen en de hulp inroepen van de dassenheer van Salamandastron, een vuurberg aan zee waarover iedereen verhalen vertelt maar die vrijwel niemand ooit heeft gezien. Martin, Gonff en de jonge mol Dinny gaan op pad. Hun tocht is de ruggengraat van het boek en voert langs een rivier met een veerman die meer blijkt te zijn dan hij lijkt, langs een berg vol vleermuizen, langs padden die gasten liever in een kuil bewaren, en ten slotte over een kust waar de meeuwen alles aanvallen wat beweegt. Ondertussen gaat het in Mossflower van kwaad tot erger. De bosbewoners bedenken een plan waar geen zwaard aan te pas komt en dat teruggrijpt op wat zij het beste kunnen: graven, wachten en het land zelf gebruiken. Ook arriveert er een gezelschap uit een verre abdij die door ziekte is getroffen, en zij brengen kennis en boeken mee die later van belang blijken. Mossflower is het tweede boek dat Brian Jacques schreef en het vertelt de voorgeschiedenis van bijna alles wat in Redwall vanzelfsprekend leek: hoe het zwaard van Martin is gesmeed, waarom de abdij op die plek staat en hoe de vrede in het bos ooit is bevochten. Je hoeft het eerste deel niet gelezen te hebben om het te volgen, maar wie dat wel deed, herkent namen en voorwerpen die daar al een rol speelden. Het boek heeft de opbouw die de reeks kenmerkt: twee verhaallijnen die elkaar afwisselen, een reis vol ontmoetingen en een belegering die thuis doorgaat, veel liedjes en raadsels, en maaltijden die met zoveel plezier worden beschreven dat je ze bijna proeft. Daarnaast is het een van de donkerdere delen, want de heersers van Kotir strijden net zo hard tegen elkaar als tegen het bos, en verraad binnen de burcht is een terugkerend thema. Voor veel lezers is Mossflower het deel waarin de wereld van Redwall haar definitieve vorm krijgt.
3 · Mattimeo
Op de langste dag van het jaar bereidt Redwall zich voor op een feest. De tafels staan vol, er wordt gezongen en de jongste bewoners zijn nauwelijks in toom te houden. Buiten de muren wacht iemand precies op dat moment. Slagar the Cruel is een vos met een lappenmasker over zijn kop en een bende ratten en wezels achter zich, en hij handelt in slaven. Hij is niet uit op de voorraden van de abdij en niet op haar schatten, maar op haar kinderen. Wanneer het feest voorbij is, ontbreken er jonge dieren, onder wie Mattimeo, de zoon van abdijkampioen Matthias. Een gezelschap gaat op jacht: Matthias zelf, de haas Basil Stag Hare, de eekhoorn Jess en een handvol vrienden. Hun achtervolging voert hen ver buiten Mossflower, over kliffen, door een woestijn en langs een ravijn, en onderweg sluiten anderen zich aan die hun eigen kind kwijt zijn. De GUOSIM, een luidruchtige bond van spitsmuizen die overal ruzie over maakt, biedt hulp aan die even waardevol als vermoeiend is. Slagar blijft steeds een stap voor, want hij kent het land en hij weet hoe hij een spoor uitwist. Ondertussen is de abdij zelf niet veilig. Een zwerm roeken, eksters en kraaien onder leiding van de raaf General Ironbeak strijkt neer op het dak en begint Redwall van bovenaf te veroveren, verdieping voor verdieping. De achterblijvers, onder wie de dassin Constance en een groep bewoners die van vechten weinig verstand hebben, moeten met list en lef zien te behouden wat zij nog hebben. Er worden gijzelaars uitgewisseld, er wordt met bedwelmende aardbeien gewerkt en er wordt een spookverschijning in elkaar geknutseld, want tegen een overmacht in de lucht helpt kracht niet. De gevangen kinderen hebben intussen hun eigen verhaal. Zij worden in ketenen naar het zuiden gedreven, richting een bestemming waar Slagar zijn koopwaar aflevert bij een heerser die zijn slaven onder de grond laat bouwen aan iets groots. Mattimeo, die tot dan toe vooral verwend en opstandig was, moet leren wat het betekent om verantwoordelijkheid te dragen voor anderen. Mattimeo verscheen in 1989 en is het derde boek van de reeks, een direct vervolg op Redwall. Het is daarmee een van de weinige delen die dezelfde personages voortzetten; de meeste andere boeken spelen in heel andere tijden van de abdijgeschiedenis. Het boek werd, net als Redwall en Martin the Warrior, bewerkt tot een seizoen van de animatieserie. Wie de reeks kent, weet wat hij krijgt: twee verhaallijnen die elkaar afwisselen, raadsels in rijmvorm, een uitbundig beschreven keuken en een verteller die nooit vergeet dat kinderen de hoofdpersonen zijn. Wat dit deel eigen maakt, is de nadruk op ouders en kinderen. Aan beide kanten van de belegering zit iemand die wacht, en de vraag is niet alleen of de gevangenen worden bevrijd, maar ook of een vader en zijn zoon elkaar daarna nog begrijpen. Voor lezers die met het eerste deel begonnen, is dit de natuurlijke voortzetting.
4 · Mariel of Redwall
Een muizenmeisje spoelt aan op een verlaten kust, met een touw om haar nek en zonder enige herinnering aan wie zij is. Ze weet alleen dat ze dorst heeft, dat het touw haar enige bezit is en dat ze er behoorlijk goed mee kan slaan. Omdat ze geen naam meer heeft, verzint ze er een: Storm Gullwhacker. Zo begint het vierde boek van de Redwall-reeks, dat een nieuw gezicht introduceert dat veel lezers meteen bijbleef. Ver weg op het eiland Terramort heerst Gabool the Wild, koning van de zeeratten, over een vloot kapiteins die hij tegen elkaar uitspeelt en die hij bij het minste ongenoegen afdankt. In zijn burcht hangt een enorme klok, buitgemaakt van een schip dat hij heeft overvallen, en die klok laat hem niet met rust. De maker ervan, Joseph the Bellmaker, zat op dat schip, en hij was niet alleen. Storm wordt gevonden door drie hazen van de Long Patrol en door hen naar Redwall Abbey gebracht. Daar leeft zij op tussen vreemden, bevriendt zij de muizen Dandin en Saxtus, en verzet zij zich tegen de dagelijkse gewoonten van de abdij, waaronder het bad. Tijdens een feest draagt iemand een oud gedicht voor, en de woorden ervan raken haar zo dat zij in elkaar zakt: in dat rijm staat haar eigen verleden. Vanaf dat moment heeft zij een naam, Mariel, een doel en een richting. Ze wil naar Terramort. Het gedicht bevat ook aanwijzingen over de weg daarheen, en die aanwijzingen worden in de poortgebouwen van de abdij aangevuld met een oud reisverslag. Mariel wil alleen vertrekken, maar de abdij laat dat niet gebeuren. Ze krijgt gezelschap van Dandin, van de rijmelende haas Tarquin L. Woodsorrel en van de egel Durry Quill, en samen trekken ze langs een doorwaadbare plaats vol snoeken, een woud waarin een vreemde geur de reizigers in slaap brengt, een moeras en ten slotte de zee. Ondertussen is een van Gabools kapiteins met een gestolen schip in Mossflower aan land gegaan, en hij heeft zijn oog op Redwall laten vallen. De abdij moet zich dus zonder Mariel verdedigen, terwijl de dassenmoeder Mellus en de blinde kruidenkenner Simeon proberen het hoofd koel te houden. Mariel of Redwall verscheen in 1991 en gaat een stuk ruwer van start dan de eerdere delen: het opent op zee, bij een piratenkoning die niemand vertrouwt, en het duurt even voordat de lezer de warmte van de abdij bereikt. Het boek is opgedeeld in drie delen en wisselt tussen de reis, de belegering en het eiland. Wat dit deel bijzonder maakt, is de hoofdpersoon. Mariel is koppig, snel aangebrand en weinig geneigd hulp te aanvaarden, en het boek neemt de tijd om te laten zien waar die hardheid vandaan komt. Daarnaast introduceert het een aantal personages die in het latere deel The Bellmaker terugkeren. Wie de reeks in publicatievolgorde leest, komt hier voor het eerst uitgebreid op zee terecht.
5 · Salamandastron
Aan de westkust rijst Salamandastron uit het zand op: een uitgeholde vuurberg die van oudsher wordt bestuurd door een dassenheer en verdedigd door de hazen van de Long Patrol. In dit vijfde deel heet die heer Urthstripe the Strong, en zijn rust wordt verstoord door Ferahgo the Assassin, een wezel met een vriendelijke glimlach en een gewoonte om zijn tegenstanders te laten sterven zonder zelf een vinger uit te steken. Ferahgo heeft een leger, een oude rekening met het dassengeslacht en een zoon, Klitch, die niet van plan is eeuwig op zijn beurt te wachten. Vader en zoon zijn het over vrijwel niets eens, behalve over het doel: de berg moet vallen. Binnen de berg groeit Mara op, de dassenmeid die Urthstripe als dochter heeft aangenomen. Zij vindt de regels van Salamandastron benauwend en trekt er samen met haar vriend Pikkle Ffolger, een haas met een onverzadigbare eetlust, op uit. Hun tocht loopt uit op een reeks ontmoetingen die van kwaad tot erger gaan: een hagedis die zijn afspraken niet nakomt, een stam padden onder een bijzonder onsmakelijke koning, en ten slotte een groep spitsmuizen die haar om een dienst vraagt. Ergens op een eiland in een meer zou een dassenspook een steen bewaren die voor die spitsmuizen alles betekent. Op hetzelfde moment staat Redwall Abbey er slecht voor. Twee gedeserteerde hermelijnen zijn er als gasten binnengelaten, en hun aanwezigheid loopt uit op een ongeluk dat de abdij haar kostbaarste bezit kost: het zwaard van Martin de Krijger verdwijnt naar buiten. De jonge eekhoorn Samkim en zijn vriendin, de molmeid Arula, gaan achter de dieven aan, meer uit schuldgevoel dan uit heldenmoed. En terwijl zij weg zijn, breekt in de abdij een koorts uit waar de kruidenkast geen antwoord op heeft. Het enige middel dat wordt genoemd, groeit hoog in de bergen van het noorden, en de otter Thrugg vertrekt met de kleine zevenslaper Dumble om het te halen. Salamandastron verscheen in 1992 en verweeft drie verhaallijnen die elk in een andere hoek van de wereld spelen: de belegerde berg, de zoektocht naar het zwaard en de reis om de zieke abdij te redden. Dat maakt het een van de breder opgezette delen, met veel afwisseling van toon. Het beleg van Salamandastron wordt met tactiek en sluipwerk uitgevochten, de zoektocht van de twee jonge dieren heeft iets van een schelmenverhaal, en de expeditie naar het noorden is vooral een tocht over ijs en steen. Het boek geeft de lezer bovendien een uitgebreider beeld van de hazen van de Long Patrol dan de eerdere delen deden: hun militaire omgangsvormen, hun eindeloze grappen en hun even eindeloze honger. Voor lezers die de reeks in publicatievolgorde volgen, is dit het eerste deel waarin de vuurberg zelf het middelpunt vormt in plaats van een verre bestemming.
6 · Martin the Warrior
Aan een grauwe kust staat Marshank, een fort dat door slaven wordt gebouwd voor de hermelijn Badrang the Tyrant. Onder die slaven bevindt zich een jonge muis die weigert te buigen. Wanneer Badrang hem voor straf aan een paal op het strand bindt, om door weer, wind en meeuwen gebroken te worden, schreeuwt hij zijn verzet uit over het water. Dat geluid wordt gehoord door twee reizigers: de muizenmeid Laterose, die iedereen Rose noemt, en de mol Grumm. Zo begint het verhaal van Martin, lang voordat hij de legendarische kampioen van Redwall werd. Rose is zelf naar de kust gekomen om haar verdwenen broer Brome te zoeken. Samen met Grumm, met Martin en met de eekhoorn Felldoh, die zijn hele leven in slavernij heeft doorgebracht, smeedt zij een ontsnappingsplan. Dat plan slaagt maar niet helemaal: de groep raakt gesplitst, en vanaf dat moment lopen er twee verhalen naast elkaar. De ene helft sluit zich aan bij de Rambling Rosehip Players, een rondtrekkend theatergezelschap dat tegen een vergoeding optreedt en dat merkt dat toneelspelen en bedrog dicht bij elkaar liggen. De andere helft reist landinwaarts, richting Noonvale, een verborgen vallei waar Rose vandaan komt en waar zij hoopt hulp te vinden. Die reis is geen rechte lijn. Er zijn dwergspitsmuizen met een koningin die weinig geduld heeft, een egel die zich bij het gezelschap voegt, moerassen, en een geleerde uil die van grote hoogte kan overzien wat de reizigers op de grond niet zien. En als Noonvale eindelijk bereikt is, blijkt het antwoord daar ingewikkelder dan gehoopt: het is een plek die juist bestaat omdat zij nooit heeft meegedaan aan oorlogen, en de bewoners hebben weinig zin daar verandering in te brengen. Ondertussen gaat het bij Marshank ook niet zoals Badrang het wil. Er komt een oude kennis van hem de haven binnen varen, een kapitein met wie hij ooit onder één vlag voer en met wie hij nog een rekening open heeft staan. Twee tirannen die elkaar kennen zijn gevaarlijker voor zichzelf dan voor hun slaven, en de bouwers van het fort krijgen daardoor kansen die zij anders nooit hadden gehad. Martin the Warrior verscheen in 1993 als zesde boek van de reeks en speelt ver voor de bouw van de abdij. Het is een van de drie delen die zijn bewerkt tot een seizoen van de animatieserie. Voor veel lezers geldt het als het meest aangrijpende deel: het gaat over slavernij, over verzet en over wat vechten met iemand doet, en het is minder luchtig dan de boeken die in en om Redwall spelen. Het boek is verdeeld in drie delen en werkt toe naar een slag bij Marshank waarin alle draden samenkomen. Onderweg blijft er ruimte voor de dingen waar Brian Jacques bekend om staat: liedjes, raadsels, maaltijden en een haas die over alles een opmerking heeft. Wie wil weten waar de naam Martin in de rest van de reeks vandaan komt, leest dit deel.
7 · The Bellmaker
Ver naar het zuiden ligt Southsward, een land met een kasteel op een rots: Castle Floret, waar Gael Squirrelking en zijn gezin wonen. Dat verandert wanneer er twee scheepsladingen ratten aan land komen onder Urgan Nagru, een vos die de schedel van een wolf als helm draagt en zich daarom de Foxwolf laat noemen, en zijn even meedogenloze gezellin Silvamord. Zij nemen het kasteel niet met geweld maar met een leugen, en wie eenmaal binnen is, komt er niet zomaar meer uit. In Redwall Abbey weet niemand daarvan. Wel is daar Joseph the Bellmaker, de klokkenmaker die enkele seizoenen eerder vrede vond na een lange reis, en die zijn dochter Mariel met haar vriend Dandin heeft zien vertrekken op zoek naar avontuur. Hij droomt van Martin de Krijger, en die droom laat hem geen rust: hij moet naar het zuiden. Joseph verzamelt een klein gezelschap, onder wie de luidruchtige hazin Hon Rosie, de egel Durry Quill, de eekhoorn Rufe Brush en de Foremole, en samen met een bende spitsmuizen van de GUOSIM trekken zij naar de kust. Daar hebben zij een schip nodig, en zeeratten geven hun schepen niet mee. Er is dus list voor nodig, en hulp van een wilde zeeotter die van gevaar weinig onder de indruk is. Mariel en Dandin bevinden zich op dat moment al in het zuiden, hongerig en zonder voorraden in de duinen. Zij raken verwikkeld in wat er in Southsward gebeurt, sluiten vriendschap met een egel en met een oude veldmaarschalk die met vier neven rondtrekt, en komen zo steeds dichter bij Castle Floret. Ook in het kasteel zelf komt verzet op gang: de otters van het land zijn hun koning niet vergeten en beramen een bevrijding, terwijl in de kelders onder de rots iemand woont die meer weet van het gebouw dan de bezetters. Ondertussen speelt er in Redwall een klein verhaal dat de reeks ongewoon staat. Twee zeeratten zijn de abdij binnengekomen en worden er verzorgd zoals de abdij iedereen verzorgt. De ene ziet vooral wat hij kan stelen, de andere ontdekt iets wat hij nog nooit had meegemaakt: vriendelijkheid zonder bijbedoeling. Wat daaruit volgt, hoort tot de meest besproken passages uit de reeks. The Bellmaker verscheen in 1994 en is het zevende deel. Het sluit aan op Mariel of Redwall en gebruikt grotendeels dezelfde personages, wat vrij uitzonderlijk is in deze reeks; de meeste delen staan los van elkaar. Wie in publicatievolgorde leest, komt hier dus oude bekenden tegen. Het boek wisselt tussen vier verhaallijnen: het bezette kasteel, de zeereis, de twee zwervers in het zuiden en het leven in de abdij. Daardoor is het tempo hoog en gebeurt er altijd ergens iets. De zeereis levert bovendien stormen, draaikolken, haaien en een eiland met een onvriendelijke bevolking op, zodat dit een van de meest maritieme delen van de hele reeks is.
8 · Outcast of Redwall
In het besneeuwde noorden raakt een jonge torenvalk verdwaald in een sneeuwstorm en valt hij in handen van de fret Swartt Sixclaw, die zijn naam dankt aan de zes klauwen aan één poot. In hetzelfde kamp zit een jonge das gevangen, die door de bende dagelijks wordt gesard. De vogel en de das helpen elkaar ontsnappen, en bij die worsteling zweren de fret en de das elkaar eeuwige vijandschap. Dat is de kern van dit achtste deel: twee levens die eeuwenlang naar elkaar toe bewegen. De das weet zijn eigen naam niet meer. De valk noemt hem Sunflash, naar de gouden streep over zijn snuit, en samen zwerven zij jarenlang door de landen, waarbij zij opkomen voor wie zichzelf niet kan verdedigen. Sunflash maakt van een tak een knots en later van die knots een wapen dat in de verhalen van het land een eigen naam krijgt. Swartt trekt intussen ook rond, maar hij verzamelt iets anders: een horde. Hij neemt met list het leger van een oudere krijgsheer over, en van dat moment af is hij niet langer een rondzwervende dief maar een aanvoerder waar het land bang voor is. Wanneer die horde langs Redwall trekt, wordt hij door de bewoners van het bos afgeslagen. In de verwarring blijft er een fretwelp achter in een greppel. De abdij staat dan voor een vraag die de rest van het boek bepaalt: neem je een kind op waarvan iedereen zegt dat het niet deugt? De bewoners besluiten het te doen. Het jong krijgt de naam Veil en wordt grootgebracht door de jonge muizenmeid Bryony en haar molvriend Togget. Veil is als klein beest ondeugend, en als hij ouder wordt gaat het van kattenkwaad naar stelen, liegen en erger. De abdij moet uiteindelijk beslissen wat zwaarder weegt: haar eigen veiligheid of de belofte die zij aan een weeskind deed. Bryony kan zich niet neerleggen bij die beslissing en gaat Veil achterna, met Togget aan haar zijde. Ondertussen bereikt Swartt Sixclaw de westkust en valt hij Salamandastron aan, waar Sunflash inmiddels als dassenheer is aangetreden. De twee verhaallijnen, de belegering van de vuurberg en de tocht van een muizenmeid achter een verstoten fret aan, lopen onvermijdelijk naar elkaar toe. Outcast of Redwall verscheen in 1995. Het is het minst vrolijke deel van de reeks en tegelijk het meest besproken, want het stelt een vraag waar Brian Jacques nergens anders zo lang bij stilstaat: is iemand slecht omdat hij zo geboren wordt, of omdat hij zo behandeld wordt. De abdijbewoners zijn het daar zelf ook niet over eens, en dat levert gesprekken op die tussen de gevechten door blijven hangen. Verder heeft het boek alles wat de reeks kenmerkt: een lange reis, een beleg, hazen met bijzondere manieren en een stoet kleinere personages die in een paar zinnen tot leven komen. De keuze om een groot deel van het verhaal bij de schurk zelf te leggen maakt dit deel ongewoon binnen de reeks.
9 · Pearls of Lutra
Tijdens het zoeken van kruiden bij de oude steengroeve stuiten de jonge egel Tansy en de eekhoorn Arven op een skelet tussen de rotsen. Wat begint als een griezelige vondst groeit uit tot een zoektocht door de hele abdij, want de dode blijkt jaren eerder in Redwall te zijn opgenomen en hij had iets bij zich waar aan de andere kant van de oceaan naar wordt gemoord: zes volmaakt ronde, rozerode parels, de Tranen van Alle Oceanen. Op het tropische eiland Sampetra heerst Ublaz Mad-Eyes, een boommarter met een blik waar niemand tegen bestand is. Hij beschikt over varanen en over zeeratten met drietanden, en hij wil die parels hebben. De ploeg die hij erop uitstuurde heeft de otterfamilie die de parels bewaarde uitgemoord, maar de buit nooit afgeleverd; het spoor eindigt in Mossflower. Ublaz stuurt daarom zijn beste eenheid, een groep varanen onder generaal Lask Frildur, met een schip en een fretkapitein naar het noorden. En terwijl zij onderweg zijn, broeit er op het eiland zelf muiterij, want wie zijn eigen kapiteins laat vermoorden, moet niet raar opkijken als hun broers iets terugdoen. Van de uitgemoorde otterfamilie is er één in leven gebleven. Grath Longfletch heeft zichzelf een boog gemaakt en pijlen met groene veren, en zij vaart zuidwaarts met maar één doel voor ogen. Haar verhaal loopt door dat van Redwall heen. In de abdij zelf wordt het intussen een zoektocht met raadsels. De oude bankwoelmuis Rollo ontcijfert wat de dode heeft achtergelaten, en het blijkt dat een inmiddels overleden zuster de parels stuk voor stuk ergens in het gebouw heeft verstopt, met bij elke schuilplaats een rijm. Tansy en haar vrienden Craklyn en Piknim doorzoeken de abdij van de kelders tot de zolders, terwijl de allerkleinste bewoners voortdurend in de weg lopen en soms precies op het juiste moment iets zien. Dan wordt de rust volledig doorbroken: tijdens een wandeling buiten de muren worden de abt en een jonge bankwoelmuis gevangengenomen. De varanen willen hen ruilen tegen de parels, maar de parels zijn nog niet gevonden. Vanaf dat moment splitst het boek zich in een achtervolging over land, een zeereis naar Sampetra en de voortgaande speurtocht binnen de abdij. The Pearls of Lutra verscheen in 1996 als negende deel, in de Verenigde Staten zonder lidwoord in de titel. Het is een van de meest exotische boeken van de reeks: een flink deel speelt op een eiland met palmen, koraal en hitte, ver van het Engelse landschap waarin Redwall normaal staat. Wat het boek bij elkaar houdt, zijn de rijmraadsels. Elke gevonden parel levert een nieuw vers op, en de lezer kan met de personages meepuzzelen. Daarnaast levert het een van de aardigste vriendenparen van de reeks op: de eeuwig pratende haas Clecky en de uil Gerul, die alles wat er gebeurt becommentarieert met wijsheden van zijn moeder.
10 · The Long Patrol
Tamello De Fformelo Tussock, kortweg Tammo, wil maar één ding: bij de Long Patrol, het hazenkorps van Salamandastron. Zijn vader, zelf oud-patrouilleur, vindt hem te jong en wil er niets van horen. Zijn moeder denkt daar anders over en regelt in het geheim dat hij 's nachts kan vertrekken, in gezelschap van Russa Nodrey, een rondtrekkende eekhoorn die de familie al jaren kent en die met een simpele stok meer kan dan de meeste dieren met een zwaard. Zo begint een reis naar het westen die ruwer verloopt dan Tammo zich had voorgesteld. Tegelijk trekt er iets anders door het land. De Rapscallions zijn geen gewone bende maar een leger, en hun aanvoerder ligt op sterven. Volgens hun gebruik vechten zijn twee zoons het onderling uit, en de winnaar, Damug Warfang, kiest een nieuwe koers: niet de vuurberg aanvallen, waar de dassenheer Cregga Rose Eyes zit en waar zijn vader zich altijd verre van hield, maar landinwaarts trekken, waar rijkere en zwakkere doelen liggen. In Redwall Abbey heeft men op dat moment heel andere zorgen. De zuidmuur zakt scheef weg in de grond en dreigt in te storten. De mollen besluiten dat afbreken en opnieuw metselen de enige oplossing is, maar een storm is hun voor en legt een gat in de verdediging bloot. Onder de ingestorte muur komt bovendien een oude put tevoorschijn die uitkomt in de resten van een burcht waarvan de abdij alleen nog uit verhalen weet. Wat daar beneden ligt, is een verhaallijn op zich. Wanneer de Long Patrol hoort waar Damug heen trekt, gaat zij naar Redwall om te waarschuwen. De abdij heeft geen muur, de hazen zijn met te weinig, en het leger dat eraan komt telt duizend koppen. De verdediging moet dus uit list komen. Tammo krijgt van de geest van Martin de Krijger een opdracht die hem en de haas Midge Manycoats vermomd in het vijandelijke kamp brengt, waar zij Damug moeten overhalen om ergens anders en op een ander moment te vechten dan hij van plan was. The Long Patrol verscheen in 1997 als tiende deel en haalde de bestsellerlijst van The New York Times. Het is het boek waarin het hazenkorps zelf centraal staat: hun exercitie, hun erecode, hun eindeloze eetlust en hun gewoonte om onder vuur nog grappen te maken. Voor lezers die de hazen in eerdere delen vooral als komische bijfiguren tegenkwamen, laat dit deel zien hoe zij als eenheid werken. Het boek combineert drie draden: de reis van een jongen die krijger wil worden, de opmars van een leger en het huiselijke gepuzzel in de abdij rond een verzakte muur. Die laatste lijn zorgt voor de vrolijke bladzijden, met mollen die eindeloos overleggen en een kok die alles op tijd op tafel wil hebben, hoe de wereld er ook uitziet. Het geheel werkt toe naar een veldslag op een heuvelrug die in de reeks een eigen naam krijgt.
11 · Marlfox
Een rondtrekkend theatergezelschap is op weg naar Redwall om er een voorstelling te geven, wanneer het onderweg iets opvangt wat de reis dringend maakt: de Marlfoxes hebben hun oog op de abdij laten vallen. Ook een groep spitsmuizen uit een ander deel van Mossflower haast zich met dezelfde boodschap naar de rode muren. Zo opent het elfde deel van de reeks, met een waarschuwing die maar net op tijd kan komen. Marlfoxes zijn geen gewone vossen. Hun vacht is grijsgevlekt en laat hen wegvallen tegen vrijwel elke achtergrond, waardoor er verhalen de ronde doen dat zij kunnen toveren. Dat kunnen zij niet; wel zijn zij snel, stil en bijzonder handig met de bijl. Zij komen van Castle Marl, een burcht op een eiland midden in een groot binnenmeer, waar hun moeder, High Queen Silth, over een leger waterratten heerst en waar zij alles verzamelt wat zeldzaam en kostbaar is. Haar kinderen worden uitgestuurd om die verzameling aan te vullen, en zij houden elkaar daarbij scherp in de gaten, want de troonopvolging is nog niet geregeld. Wat zij uit Redwall willen halen, is niet het zilverwerk maar het wandtapijt waarop Martin de Krijger staat afgebeeld: het voorwerp waar de hele abdij haar moed uit put. De aanval slaagt gedeeltelijk, en een van de Marlfoxes verdwijnt met de buit naar het noorden. Daarmee splitst het boek zich in tweeën. Drie jonge Redwallers gaan achter de dief aan: de eekhoorns Songbreeze Swifteye en Dannflor Reguba en de spitsmuis Dippler, die onderweg gezelschap krijgen van een waterwoelmuis en die hulp vinden bij een reusachtige egel en een visarend met een eigen rekening. Ondertussen belegeren de overgebleven Marlfoxes de abdij, waar de blinde dassin Cregga Rose Eyes en de vaders van de twee jonge eekhoorns de verdediging op zich nemen. De tocht van de jongeren voert over een meer dat groter is dan alles wat zij kennen, met snoeken in het water en een eiland waarop niemand vrijwillig aan land gaat. De belegering thuis gaat intussen over uithoudingsvermogen: de abdij heeft voorraden en muren, de aanvallers hebben aantallen en geduld. Marlfox verscheen in 1998. Het boek gaat over erfenis in dubbele zin: de jonge Redwallers reizen in de schaduw van ouders met een reputatie, en aan de andere kant staat een familie waarin iedere broer of zus de ander wantrouwt. Die twee vormen van familie worden naast elkaar gezet zonder dat het boek er nadrukkelijk over doet. Zoals gebruikelijk wisselen de hoofdstukken tussen de verhaallijnen, met veel liedjes, raadsels en uitgebreid beschreven maaltijden ertussen. Nieuw is dat het verhaal wordt gepresenteerd alsof het achteraf tot toneelstuk is bewerkt, compleet met een haas die zich als samensteller opwerpt. Voor lezers die met een willekeurig deel willen instappen, is dit een van de beter geschikte boeken: het staat vrijwel volledig op zichzelf.
12 · The Legend of Luke
Terwijl de abdij van Redwall nog in de steigers staat, komt er een rondtrekkende egel langs die Trimp heet. Zij zingt een lied om de bouwers te helpen bij het hijsen van een balk, en in de tekst van dat lied valt een naam die Martin herkent: Luke, zijn vader. Martin weet vrijwel niets van hem, en dat kleine voorval is genoeg om hem op reis te sturen. Samen met de muizendief Gonff, de mol Dinny en Trimp trekt hij naar het noorden, naar de kust waar hij als jong beest heeft gewoond. Onderweg groeit het gezelschap aan met een eekhoornweesje, een havik en twee otterbroers, van wie de ene zo lang in zijn eentje heeft gevochten dat hij nauwelijks nog spreekt. In het noorden vinden zij tussen de rotsen twee oude bekenden van Luke: de muis Vurg en de bejaarde haas Beau, die daar al jaren op een strandwal wonen. Zij hebben een boek bewaard waarin het leven van Luke is opgeschreven, en dat boek vormt de kern van dit deel. Daarmee kantelt het verhaal naar het verleden. Luke leidde een kleine muizenstam die vreedzaam langs de kust leefde, tot er een schip voor de kust verscheen onder Vilu Daskar, een kapitein die plundert omdat hij het prettig vindt. Wat Luke daarna doet, verandert zijn leven en dat van zijn zoon: hij besluit dat hij niet kan blijven. Voor hij vertrekt geeft hij Martin twee dingen mee, een zwaard en een belofte, en de jongen mag het schip een naam geven. De rest van het verslag gaat over die tocht: een bemanning van boeren en vissers die zich aan zee waagt, honger, verraad, slavernij op een roeibank en een zwarte eekhoorn die net zo gedreven is als Luke zelf. Het boek laat zien waar Martins vastberadenheid vandaan komt, want vader en zoon reageren op onrecht op een verrassend vergelijkbare manier. The Legend of Luke verscheen in 1999 als twaalfde boek van de reeks, en het speelt in de tijd waarin de abdij wordt gebouwd. Het is daarmee een van de delen die het verst van de vertrouwde abdijwereld af staan: het grootste stuk speelt op zee en aan een koude noordkust. De opbouw is ongewoon voor de reeks. In plaats van twee gelijktijdige verhaallijnen zit hier een verhaal binnen een verhaal: een reis heen, een lang verslag uit het verleden, en een terugweg. Voor lezers die Mossflower kennen, sluit dit deel daar in tijd op aan en verklaart het een en ander over Martin dat daar open bleef. Wie de reeks pas begint, kan er ook mee uit de voeten, al geeft het boek wel weg dat Martin de bouw van de abdij meemaakt. Zoals altijd bij Brian Jacques zijn er liedjes, raadsels en uitgebreide maaltijden, maar de toon is hier soberder dan gebruikelijk. Het is een boek over herinneringen, over wat ouders aan hun kinderen nalaten en over de prijs die wraak vraagt van degene die haar najaagt.
13 · Lord Brocktree
Het vroegste verhaal uit de hele Redwall-reeks draait om een das die nog nergens thuishoort. Lord Brocktree trekt naar het westen omdat hij naar Salamandastron wil, de vuurberg aan zee waar zijn vader heerst. Onderweg loopt hij een jonge hazin tegen het lijf die zichzelf voorstelt als Dorothea Duckfontein Dillworthy, kortweg Dotti, en die praat zoals andere dieren ademen. Zij wil naar dezelfde kust, zij het om heel andere redenen, en samen met de otter Ruff vormen zij een gezelschap dat elkaar voortdurend tegenspreekt en toch niet meer uit elkaar gaat. In Salamandastron zelf staat het er slecht voor. Lord Stonepaw regeert er al zo lang in vrede dat zijn hazen oud zijn geworden en zijn wapenrekken stof vangen. En juist op dat moment verschijnt Ungatt Trunn voor de berg, een wilde kat die zich de zoon van de hooglandkoning van het noorden noemt en die zijn leger de Blauwe Horden heeft gedoopt, omdat hij zijn soldaten blauw laat verven. Trunn gelooft dat de sterren hem gunstig gezind zijn en dat niets hem kan weerstaan. Zijn aanval op de berg is het openingsbedrijf van het boek. Wat daarna volgt is deels een belegeringsverhaal en deels een guerrilla. Een oude bokstrainer onder de hazen, Stiffener Medick, en de otter Brogalaw vormen buiten de berg een groep die de bevoorrading van de Blauwe Horden aanvalt en hun voorraden laat verdwijnen, want een leger van die omvang eet zichzelf leeg als het niets kan aanvoeren. Brocktree en Dotti reizen intussen door het land om een leger bij elkaar te krijgen. Dat betekent onderhandelen met eekhoornstammen die niemand vertrouwen en met een hazenhoofdman die alleen respect heeft voor wie hem in een wedstrijd verslaat, en juist daar blijkt Dotti onverwacht bruikbaar. Lord Brocktree verscheen in 2000 als dertiende boek. Het speelt vroeger dan alle andere delen, ruim voordat de abdij bestaat, en het vertelt hoe de Long Patrol als korps is ontstaan. Wie de hazen in andere delen heeft leren kennen als een geoefend legertje met een eigen erecode, ziet hier waar die gewoontes vandaan komen. Brian Jacques schreef het boek als laatste voorgeschiedenis van de reeks; erna verschenen alleen nog verhalen die later in de tijd spelen. De opbouw is vertrouwd: twee lijnen die afwisselend aan bod komen, een reis en een beleg, met liedjes, raadsels en een hazin die overal een gedicht bij kan verzinnen. Wat dit deel eigen maakt, is de omvang van de strijd. Waar de meeste Redwall-boeken eindigen met een schermutseling om een poort, werkt dit toe naar een veldslag op het strand tussen twee legers. Daarnaast is Dotti een van de aardigste personages van de reeks: zij eet, praat en zingt vals, en zij blijkt steeds op de gekste momenten precies te doen wat nodig is. Voor wie met een vroeg punt in de geschiedenis wil beginnen, is dit het aangewezen deel.
14 · The Taggerung
Onder de zwervende Juska-stammen langs de westkust gaat al generaties een voorspelling rond. Eens in de zoveel tijd wordt er een Taggerung geboren: een vechter met een merkteken op de poot, sterker en sneller dan wie ook, van wie een stam zich meester moet maken. Wanneer een zieneres voorspelt dat de volgende Taggerung bij Redwall Abbey ter wereld komt, trekt Sawney Rath, aanvoerder van de Juskarath, met zijn stam naar Mossflower. In het bos overvallen zij een otter die net een geboorteritueel voltooit voor zijn pasgeboren zoon. Het jong wordt meegenomen, krijgt van Sawney de naam Tagg en groeit op tussen de vermin, opgeleid als wapen en behandeld als troonopvolger. Er is alleen één probleem, dat met de jaren groter wordt: Tagg vecht wel, maar hij doodt niet. Hij weigert wat de stam vanzelfsprekend vindt, en wanneer Sawney hem een bevel geeft dat hij niet kan uitvoeren, breekt alles. Tagg vlucht, en vanaf dat moment is hij geen erfgenaam meer maar wild. De achtervolging die volgt, vormt de ruggengraat van het boek. De stam raakt in handen van een nieuwe leider die zijn positie vooral aan zijn moeder dankt en die door zijn eigen krijgers wordt uitgelachen. Onder hen bevinden zich een boogschutter die nooit mist en een wezel die beter kan sporen dan wie ook, en beiden zien de opdracht vooral als kans om zelf aan de macht te komen. Zij jagen op Tagg, en ondertussen jagen zij op elkaar. Tagg trekt intussen het land in en ontmoet dieren die hem nemen zoals hij is. Hij sluit vriendschap met Nimbalo, een kleine, snoevende dwergmuis die zichzelf de Slayer noemt en wiens verhalen zelden kloppen, en de twee reizen samen verder. Onderweg vangt Tagg iets op over de plek waar hij vandaan komt, een naam die hij nog nooit heeft gehoord. In Redwall Abbey zelf loopt een tweede verhaal. Daar woont Mhera, een jonge otter, bij haar moeder, en daar is de oude blinde dassin Cregga Rose Eyes bezig met een reeks raadsels die iets moeten aanwijzen waar de abdij naar zoekt. Die raadsels, verspreid over het gebouw en de tuinen, vormen de rustige tegenhanger van de jacht buiten de muren. The Taggerung verscheen in 2001 als veertiende deel. Het is een van de meest persoonlijke boeken van de reeks, want de vraag die eronder ligt gaat niet over een belegering maar over afkomst: bepaalt je opvoeding wie je bent, of iets anders. Tagg is bij vermin grootgebracht en heeft hun taal, hun gewoontes en hun vechttechniek, en hij moet uitzoeken wat daarvan van hem is. Daarnaast heeft het boek de gebruikelijke ingrediënten: maaltijden die pagina's beslaan, mollen die alles op hun eigen manier uitspreken, liedjes en een stoet bijfiguren. De afwisseling tussen een ruwe achtervolging en het huiselijke leven binnen de abdij is in dit deel bijzonder scherp.
15 · Triss
Op het noordelijke eiland Riftgard heerst koning Agarnu met zijn dochter Kurda en zijn zoon Bladd over een garnizoen ratten en over slaven die in de mijnen werken. Een van die slaven is Trisscar Swordmaid, een eekhoorn die haar naam nog van haar vader heeft en die al jaren op één ding zint: weg. Samen met de otter Shogg en de egel Welfo ontsnapt zij in een gestolen boot naar het zuiden, naar een land dat zij alleen van horen zeggen kent. De prijs van die ontsnapping is hoog, en Kurda zet meteen de achtervolging in door een piratenschip te huren. Ondertussen gebeurt er in Redwall iets wat op het eerste gezicht niets met Riftgard te maken heeft. Twee van de jongste bewoners lopen weg het bos in en komen bij Brockhall terecht, het voorouderlijke dassenhol waar al lang niemand meer komt. Zij worden weggejaagd door iets wat daar woont, maar zij nemen wel iets mee: een gouden pootring met vreemde tekens erop. Die tekens keren overal terug. Op de ring, op een boog, op een dolk, en op de kroon van een van de drie adders die zich in Brockhall hebben genesteld en die aan elkaar geketend zitten om redenen die generaties teruggaan. Wat de tekens betekenen, weet alleen iemand die uit Riftgard komt. Een derde verhaallijn begint aan de westkust, waar Sagax, de zoon van de dassenheer van Salamandastron, en zijn vriend de haas Scarum er samen met de zeeotter Kroova tussenuit knijpen om avontuur te zoeken. Dat avontuur vinden zij, al is het niet het soort dat zij in gedachten hadden, en hun pad kruist dat van de vluchtelingen uit het noorden. In de abdij zelf wordt intussen een raadsel ontcijferd. Er duikt een boodschap op in het schrift van Riftgard, en de geest van Martin de Krijger geeft in een droom de aanwijzing die nodig is om hem te kunnen lezen. Wat eruit komt, wijst terug naar het dassenhol in het bos, waar de slangen liggen. Triss verscheen in 2002 als vijftiende deel. Volgens de reekschronologie is het bovendien een kantelpunt: vanaf dit boek spelen de verhalen zo ver uit elkaar dat zij geen personages meer met de andere delen delen, wat het een goed instappunt maakt voor wie nieuw is. Het boek combineert een ontsnappings- en zeeverhaal met een belegering van de abdij en met een puzzel binnen de muren. Kurda is een van de fellere tegenstanders uit de reeks, een prinses met een sabel die haar broer minstens zo hard minacht als haar slaven, en de piratenkapitein die zij inhuurt heeft zijn eigen plannen. Daarnaast zijn de drie adders in Brockhall een van de griezeligste vondsten die Brian Jacques bedacht: zij horen bij niemand en willen alleen maar los.
16 · Loamhedge
Martha Braebuck is een jonge hazin die in Redwall Abbey woont en die niet kan lopen. Haar broer Horty rijdt haar rond, praat aan één stuk door en eet nog meer dan hij praat, en samen met hun vrienden Springald en Fenna vormen zij het luidruchtigste gezelschap van de abdij. Wanneer Martha voor het wandtapijt in slaap valt, verschijnt Martin de Krijger in haar droom met een aanwijzing: het antwoord op haar kwaal ligt in Loamhedge, de abdij die generaties geleden door ziekte werd verlaten en waarvan niemand nog precies weet waar zij ligt. Er zullen twee reizigers komen die de weg kunnen vinden. Die twee zijn Bragoon en Sarobando, een otter en een eekhoorn die als kleine dieren uit Redwall wegliepen en sindsdien van hun sluwheid leven. Zij komen tijdens het zomerfeest de abdij binnenlopen, horen het verhaal van Martha aan en besluiten te gaan. De jongeren willen mee, de abt verbiedt het, en dat verbod houdt ongeveer een halve dag stand. Ondertussen naderen er twee bedreigingen. De eerste is een zootje kleine vermin onder een jonge vos die per ongeluk aanvoerder is geworden en die van horen zeggen weet dat er in Redwall een zwaard ligt waar krachten aan worden toegeschreven. De tweede is ernstiger: Raga Bol, een zeerattenkapitein wiens schip verloren ging en die met zijn bemanning landinwaarts trekt. Wat de eerste groep begint, neemt de tweede over. En er is nog een derde lijn. Aan de kust vinden otters een das die zwaar toegetakeld en nauwelijks in leven op het strand ligt. Hij heet Lonna Bowstripe, hij maakt zich een boog zodra hij weer kan staan, en hij heeft maar één bestemming voor ogen. Zijn tocht loopt dwars door het land, achter een spoor aan dat hij niet kwijtraakt. De reizigers naar Loamhedge komen intussen bij kliffen, grotten, een stroom met reptielen en ten slotte bij een verlaten stad waarin zij verdwalen. Dat Loamhedge zelf leeg en vervallen is, weten zij van tevoren; de vraag is of er nog iets bewaard is gebleven dat Martha kan helpen. Loamhedge verscheen in 2003 als zestiende deel van de reeks. Het combineert drie verhalen: een queeste naar een verdwenen abdij, een belegering van Redwall en de eenzame tocht van een das. Het is een van de delen waarin het ouderwetse avonturenverhaal het sterkst doorklinkt, met kliffen, afgronden en een hangbrug. Wat het boek daarnaast draagt, is het duo Bragoon en Saro. Zij bekvechten voortdurend, zij hebben overal een verhaal over en zij nemen de jongeren mee op een manier die tegelijk hardvochtig en zorgzaam is. De drie hoofdstukdelen dragen zinnen die ergens in het boek worden uitgesproken als titel, wat iets zegt over de toon: dit is een boek waarin de gesprekken minstens zoveel gewicht dragen als de gevechten.
17 · Rakkety Tam
Uit het Land van IJs en Sneeuw komt Gulo the Savage naar Mossflower. Hij is een veelvraat, een dier dat in deze reeks nog niet eerder was opgevoerd, en hij voert een honderdtal witte vossen en hermelijnen aan die hun verslagen vijanden opeten. Gulo is niet uit op land of buit: hij achtervolgt zijn broer, die na de dood van hun vader met de Wandelende Steen is weggevaren. Wie die steen bezit, mag in het noorden heersen, en Gulo is niet van plan het er bij te laten zitten. In Mossflower komt hij twee huurlingen tegen die op dat moment weinig zin in hun werk hebben. Rakkety Tam MacBurl en zijn maat Wild Doogy Plumm zijn eekhoorns uit het grensland die hun trouw hebben verpand aan een eekhoornkoning en zijn koningin, twee heersers die vooral geïnteresseerd zijn in plechtigheden ter ere van zichzelf. Wanneer Gulo een troep van die koning overvalt en er een koninklijk vaandel verdwijnt, worden Tam en Doogy erop uitgestuurd om het terug te halen. Slagen zij, dan worden zij van hun eed ontslagen. Onderweg lopen zij tegen de Long Patrol aan, die eigen problemen heeft: een hinderlaag heeft de hazen een trommel gekost die voor de abdij bestemd was. Beide verliezen blijken bij dezelfde vijand terecht te zijn gekomen. In Redwall Abbey draait het intussen om een raadsel dat door bezoek wordt meegebracht. Zuster Armel, de eekhoorn die de ziekenboeg beheert, en Brookflow, de nicht van de otterkapitein, buigen zich erover, en de geest van Martin de Krijger geeft Armel een opdracht: zij moet zijn zwaard meenemen en het brengen naar de grenswachter die zijn eigen zwaard heeft verkocht en kwijtgeraakt. Dat brengt twee abdijbewoners het bos in, precies wanneer dat het minst verstandig is. Rakkety Tam verscheen in 2004 als zeventiende deel. Het onderscheidt zich van de andere boeken door zijn tegenstander: Gulo is geen berekenende krijgsheer met een plan maar een roofdier dat op instinct handelt, en zijn horde is even bang voor hem als voor de bosbewoners. Daardoor krijgt het boek een grimmiger toon dan gebruikelijk, ook al blijven de keuken van de abdij en de grappen van de hazen gewoon aanwezig. Daarnaast zijn de twee hoofdpersonen ongebruikelijk voor de reeks. Tam en Doogy zijn beroepsvechters die voor geld hebben gediend, geen abdijbewoners die het vak noodgedwongen leren. Zij praten in een Schots gekleurde tongval, zij plagen elkaar onophoudelijk en zij maken hun eigen afwegingen over eer en loon. Het boek werkt toe naar een strijd waarin de verdediging van de abdij en de jacht in het bos samenkomen, en waarin verschillende groepen, hazen, spitsmuizen, een woelmuisdief en een bosuil, elk hun eigen bijdrage moeten leveren.
18 · High Rhulain
Op Green Isle, een eiland ver in zee, heerst een geslacht van wilde katten over de otterclans, die er als slaven werken. Het achttiende deel van de reeks opent bij de krijgsheer Riggu Felis, die samen met zijn twee zoons een visarend probeert te doden en daarbij zo wordt toegetakeld dat hij voortaan een masker draagt. Zijn woede daarover bepaalt de rest van het boek: alle vogels op het eiland moeten dood, en zijn gezin, dat al niet hecht was, valt verder uiteen. In Redwall Abbey woont ondertussen Tiria Wildlough, dochter van de otterkapitein. Zij is groot, sterk en bijzonder handig met een slinger, en zij verveelt zich. Wanneer zij met vrienden het bos in gaat om hout te halen, redt zij een gewonde visarend uit de klauwen van een bende vermin, en vanaf dat moment verandert haar leven. In de abdij loopt bovendien een reeks raadsels van zuster Geminya, en de voorwerpen die daaruit tevoorschijn komen, een lans en een diadeem, wijzen naar iets waar Tiria zelf niets van weet: een oude voorspelling over de High Rhulain, de otterkoningin die Green Isle zou bevrijden. Op het eiland zelf zit het verzet intussen niet stil. Leatho Shellhound, een otter die buiten de slavernij is gebleven, valt met een handvol getrouwen de posten van de katten aan, in de hoop zijn familie en zijn clan vrij te krijgen. Zijn acties zijn moedig en volstrekt kansloos zolang er niets verandert, want de katten hebben het fort en de otters hebben niets. Tiria reist naar Salamandastron, waar de dassenheer haar iets meegeeft en waar zij een haas ontmoet die zichzelf voor een krijgsheer aanziet en die een schip bezit. Met een groep hazen van de Long Patrol vertrekt zij naar Green Isle. Ondertussen moet iets wat in de abdij is gevonden nog haar kant op, en de enige manier om dat over zee te krijgen is niet met een schip maar met een gans. High Rhulain verscheen in 2005. Het is een van de meest maritieme delen van de reeks en speelt voor meer dan de helft ver van Mossflower. Brian Jacques verwerkte er verwijzingen in naar Ierse verhalen en namen, en de otterclans hebben een eigen manier van spreken en eigen strijdliederen. De opbouw is vertrouwd: een raadsel in de abdij, een reis over zee en een opstand die op het juiste moment moet losbarsten. Wat het boek eigen maakt, is dat de hoofdpersoon een titel krijgt toebedeeld waar zij zelf niet om vroeg en waar zij aanvankelijk weinig mee kan. Tiria moet uitvinden wat zij met die verwachting doet, terwijl anderen al lang hebben besloten wie zij voor hen is. Daarnaast levert de vriendschap tussen een otter en een visarend enkele van de beste scènes van het deel op.
19 · Eulalia!
In de koude Noordelijke Eilanden woont de jonge das Gorath met zijn grootouders op een afgelegen boerderij. Dat rustige bestaan eindigt wanneer de vos Vizka Longtooth met zijn Sea Raiders aan land komt. Gorath wordt bewusteloos geslagen en aan boord van het schip Bludgullet gesleept, en zijn leven bestaat vanaf dat moment uit twee dingen: overleven en terugkomen. Op hetzelfde moment heeft de dassenheer van Salamandastron, de blinde Lord Asheye, een voorgevoel gekregen dat er in de herfst een onbekende das zal komen die hem moet opvolgen. Hij stuurt een jonge hazin op pad om die das te zoeken: Maudie, die in de reeks vooral bekend is geworden als Mad Maudie, en die met haar eigenaardige spraak, haar boksvaardigheden en haar vrijwel onbegrensde eetlust een van de geliefdste personages van de latere delen werd. Haar tocht landinwaarts loopt bepaald niet volgens plan. En in Redwall Abbey wordt een jonge egel de poort uit gezet. Orkwil Prink heeft te vaak gestolen, en volgens de regels van de abdij moet hij een seizoen buiten zien door te komen voordat hij terug mag. Hij leert dat het bos minder vergevingsgezind is dan de abdijkeuken, en hij loopt precies de verkeerde mensen tegen het lijf, of misschien juist de goede. Die drie draden komen langzaam bij elkaar. Vizka Longtooth wil meer dan buit uit een boerderij: hij heeft over Redwall gehoord en wil de abdij innemen. Ondertussen trekt er een tweede bende door het land, de Brownrats onder de vadsige Gruntan Kurdly, die niets met de zeerovers te maken heeft en hun plannen even hard doorkruist als die van de bosbewoners. Wanneer beide benden hetzelfde gebied binnenkomen, wordt de vraag niet alleen wie de abdij verdedigt, maar ook welke vijand als eerste een fout maakt. Eulalia! verscheen in 2007 als negentiende deel. De titel is de strijdkreet van de dassen en hazen uit de reeks; hij komt in vrijwel elk boek voor, maar krijgt hier zijn eigen verhaal. Het boek is verdeeld in drie delen en werkt toe naar een belegering op een plateau, wat een ongebruikelijk decor is voor deze reeks. Wat dit deel bijzonder maakt, is de combinatie van een zware verhaallijn en een bijzonder vrolijke. Gorath is een das met de bloedwoede, de razernij die in de reeks vaker voorkomt en die zijn drager net zo goed kan verwoesten als zijn vijanden; zijn hoofdstukken zijn grimmig. Daartegenover staan Maudie en Orkwil, die van vrijwel elke ramp een grap weten te maken. Ook nieuw is een reizende das met de titel de Tabura, een leraar in plaats van een krijger, die een andere kijk op geweld meebrengt dan de reeks gewend is.
20 · Doomwyte
Een verhaal dat bij het haardvuur wordt verteld, brengt in dit twintigste deel alles in beweging. De jonge muis Bisky vertelt de andere kinderen van Redwall over zijn voorvader Gonff de muizendief, die ooit vier kostbare juwelen zou hebben gestolen van een enorm afgodsbeeld diep in het bos. De andere kinderen geloven er niets van, en het loopt uit op een kussengevecht. Maar buiten het raam zit een ekster mee te luisteren, en zij brengt het verhaal over aan haar meester. Die meester is Korvus Skurr, een raaf die met een leger kraaien en roeken heerst over een grottenstelsel dat de Doomwyte-hol wordt genoemd, met een gladde slang als raadsvrouw aan zijn zijde. Als die juwelen bestaan, wil hij ze terug, en als zij in Redwall liggen, dan komt hij ze halen. De eerste pogingen van zijn vogels om een abdijbewoner te ontvoeren mislukken, mede dankzij een nieuw aangekomen haas, Laird Bosie McScutta, die zich vervolgens tot abdijkampioen laat benoemen. Daarna zoekt Korvus een sterker middel, en hij vindt het in een reusachtige, blinde adder die op geur en trilling jaagt. Binnen de abdij begint ondertussen een speurtocht. In de oude registers duiken de dagboeken op van Gonff zelf, van zijn vrouw en van zijn vriend, en alle drie vertellen hetzelfde: de juwelen zijn niet verkocht maar verstopt, met raadsels als aanwijzing. Bisky, de eekhoorn Dwink en een aantal oudere bewoners volgen die raadsels van de kelders naar tunnels onder het gebouw, en van daar naar plekken buiten de muren waar zij beter niet alleen hadden kunnen komen. Onder de grond en in het bos wonen bovendien volken die niemand in de abdij kende. Er zijn de Painted Ones, een agressieve stam die in de boomtoppen leeft, en de Gonfelins, een groepje muizen dat eindeloos ruziet en dat zichzelf als nakomelingen van Gonff beschouwt. Ook zij hebben belang bij de juwelen, wat de zoektocht er niet eenvoudiger op maakt. Doomwyte verscheen in 2008 en is met zijn drie boekdelen een van de dichter bevolkte delen van de reeks: er lopen veel partijen door elkaar en de bondgenootschappen wisselen voortdurend. Het is bovendien een van de weinige boeken waarin de vijand vooral uit vogels bestaat, en waarin een groot deel van de handeling zich ondergronds afspeelt. De opbouw is die van een schattenjacht: elk gevonden juweel levert een nieuw rijm op, en de lezer kan meepuzzelen. Daarnaast grijpt het boek terug op namen uit Mossflower, wat het voor wie de reeks in volgorde leest extra aardig maakt, al is voorkennis niet nodig. Tussen de raadsels door blijven de vertrouwde zaken staan: uitgebreide maaltijden, molspraak, liedjes en een kampioen die met bijzonder veel zelfvertrouwen door de abdij loopt.
21 · The Sable Quean
Buckler Kordyne verveelt zich in Salamandastron. Hij is een jonge haas van de Long Patrol, hij is uitstekend met zijn zwaarden en hij wil weg uit de berg. Zijn dassenheer stuurt hem daarom met een klus op pad: nieuwe klokkentouwen bezorgen bij Redwall Abbey, en meteen even langs de boerderij van zijn broer. Zijn vriend Diggs, die vooral geïnteresseerd is in wat er die dag te eten valt, gaat mee. In de abdij wordt op dat moment een muziekwedstrijd voorbereid om een nieuwe bard te kiezen. Tijdens de drukte verdwijnen er twee van de allerkleinste bewoners. Zij zijn het bos in gelopen om te picknicken, en daar stond een groepje vermin klaar dat precies daarop wachtte. Het blijkt geen toeval: overal in Mossflower verdwijnen jonge dieren. Achter die ontvoeringen zitten twee sabelmarters. Vilaya, die zich de Sable Quean laat noemen, en Zwilt the Shade, een zwijgzame vechter die zich door schaduwen beweegt, hebben een bende verzameld die de Ravagers heet. Hun plan is niet plunderen maar chanteren: met genoeg kinderen in handen kunnen zij Redwall dwingen zich over te geven zonder dat er één steen uit de muur hoeft. De gevangenen worden vastgehouden in een oud dassenhol diep in het bos, dat de sabels hebben omgedoopt tot Althier. Daar zitten de jonge dieren dus, hongerig en bang, en sommigen van hen zijn niet van plan te wachten tot er iemand komt. Onder leiding van een paar oudere gevangenen, onder wie een eigenzinnige spitsmuizendochter, wordt er gegraven, gepland en geruzied. Buiten begint intussen de zoektocht: Buckler, Diggs en de abdijbewoners trekken het bos in, en onderweg sluiten spitsmuizen, otters en een strijdlustige mol met een strijdhamer zich bij hen aan. The Sable Quean verscheen in 2010 als eenentwintigste deel en was het laatste boek dat tijdens Brian Jacques' leven verscheen; hij overleed in februari 2011. Het is opgedeeld in vier boeken en heeft een strakkere opbouw dan sommige latere delen: één misdaad, één zoektocht en één belegering. Wat dit deel eigen maakt, is dat de kinderen niet alleen slachtoffer zijn. Een groot deel van de hoofdstukken speelt bij de gevangenen zelf, die hun eigen plannen smeden en hun eigen ruzies uitvechten, en die daarbij precies zo koppig en onhandig zijn als kinderen nu eenmaal zijn. Daarnaast zijn de twee tegenstanders ongewoon. Vilaya en Zwilt werken samen omdat het hun uitkomt, niet omdat zij elkaar vertrouwen, en de spanning tussen hen is minstens zo belangrijk als de strijd met Redwall. Tegenover al die grimmigheid staat Diggs, die in vrijwel elke situatie een manier vindt om over eten te beginnen.
22 · The Rogue Crew
Razzid Wearat voert een schip dat over land kan varen. Hij is een wearat, een kruising die in deze reeks zeldzaam en uitzonderlijk gevreesd is, en zijn schip de Greenshroud heeft wielen onder de romp gekregen zodat het via rivieren en oevers verder komt dan enig ander vaartuig. Na een nederlaag tegen een groep otters aan de noordkust zoekt hij een makkelijker doelwit, en zijn zieneres wijst hem op een plek waar volgens haar geen echte verdediging is: Redwall Abbey. Hij zet koers en laat onderweg een spoor van vernieling achter. De otters die hem eerder versloegen zijn de Rogue Crew, een ruwe zeeclan onder Skor Axehound die met bijlen vecht en die zich aan niemand iets gelegen laat liggen. Wanneer duidelijk wordt waar Razzid heen gaat, sluiten zij een verbond met de Long Patrol van Salamandastron, aangevoerd door de sombere, uiterst beheerste haas Rake Nightfur. Twee eenheden die elkaar niet liggen moeten samen optrekken, en het grootste deel van de reis bestaat uit de vraag of dat gaat lukken. De hazen vinden de otters ongedisciplineerd, de otters vinden de hazen aanstellers, en beide partijen proberen voortdurend de ander de baas te zijn. Binnen die twee groepen loopt bovendien een persoonlijk verhaal. Skors zoon Swiffo houdt niet van wapens en heeft zich tegen de wil van zijn vader bij een andere ploeg aangesloten, en er is een oude, bijzonder onwelriekende egel die op de meest ongelegen momenten opduikt en die meer weet dan hij lijkt. In Redwall zelf merkt men pas laat wat er aankomt. Het zijn de allerkleinste bewoners die vanaf een toren de groene zeilen als eerste zien, en van dat moment af moet de abdij in grote haast doen wat zij in deze reeks vaker heeft moeten doen: zich verdedigen met wat voorhanden is, met bewoners die geen soldaten zijn en met hulp die nog onderweg is. The Rogue Crew verscheen op 3 mei 2011 en is het tweeëntwintigste en laatste deel van de reeks. Brian Jacques overleed op 5 februari van dat jaar, bijna drie maanden voor verschijning, waardoor dit boek postuum uitkwam. Het sluit de reeks niet af met een groot slot over de geschiedenis van de abdij; het is gewoon het volgende avontuur, in dezelfde opzet als de eenentwintig boeken ervoor. Wat het deel kenmerkt, is de nadruk op de samenwerking tussen twee soorten krijgers en op de vraag wat discipline waard is naast ruwe kracht. Daarnaast is Razzid Wearat een van de meest fysieke tegenstanders uit de reeks, en zijn rijdende schip levert beelden op die in de eerdere delen niet voorkomen. Voor wie de hele reeks heeft gelezen, is het een vertrouwd einde: liedjes, maaltijden, hazen die over eten zeuren en een abdij die opnieuw haar poorten moet sluiten.
ISBN en EAN per deel
Dit zijn de nummers van de Nederlandse edities waar we hierboven naar linken. Bij boeken is de EAN (de streepjescode) hetzelfde nummer als het ISBN-13. Andere drukken en uitgaven hebben een eigen ISBN.
| Nr. | Titel en editie | ISBN-13 / EAN | ISBN-10 |
|---|---|---|---|
| 1 | Redwallbol.com: Redwall | 9780441005482 | 0441005489 |
| 2 | Mossflowerbol.com: Mossflower | 9781862301399 | 1862301395 |
| 3 | Mattimeobol.com: Mattimeo | 9780441006106 | 0441006108 |
| 4 | Mariel of Redwallbol.com: Mariel Of Redwall | 9781862302426 | 1862302421 |
| 5 | Salamandastronbol.com: Salamandastron | 9780441000319 | 0441000312 |
| 6 | Martin the Warriorbol.com: Martin The Warrior | 9780441001866 | 0441001866 |
| 7 | The Bellmakerbol.com: The Bellmaker | 9780142400302 | 0142400300 |
| 8 | Outcast of Redwallbol.com: Outcast of Redwall | 9780142401422 | 0142401420 |
| 9 | Pearls of Lutrabol.com: The Pearls of Lutra | 9780441005086 | 044100508X |
| 10 | The Long Patrolbol.com: The Long Patrol | 9780441005994 | 0441005993 |
| 11 | Marlfoxbol.com: Marlfox | 9780142501085 | 0142501085 |
| 12 | The Legend of Lukebol.com: The Legend of Luke | 9780441007738 | 0441007732 |
| 13 | Lord Brocktreebol.com: Lord Brocktree | 9780142501108 | 0142501107 |
| 14 | The Taggerungbol.com: Taggerung | 9780441009688 | 0441009689 |
| 15 | Trissbol.com: Triss | 9780441010950 | 0441010954 |
| 16 | Loamhedgebol.com: Loamhedge | 9780142403778 | 0142403776 |
| 17 | Rakkety Tambol.com: Rakkety Tam | 9780441013180 | 044101318X |
| 18 | High Rhulainbol.com: High Rhulain | 9780142409381 | 0142409383 |
| 19 | Eulalia!bol.com: Eulalia! | 9780142414958 | 0142414956 |
| 20 | Doomwytebol.com: Doomwyte | 9780142418536 | 0142418536 |
| 21 | The Sable Queanbol.com: The Sable Quean | 9780142420607 | 0142420603 |
| 22 | The Rogue Crewbol.com: The Rogue Crew | 9780142426180 | 0142426180 |
Veelgestelde vragen
In welke volgorde lees ik Redwall?
Wij raden de volgorde van de tabel aan: begin met Redwall (1986). Zo leer je de abdij en haar geschiedenis kennen zoals Jacques die opbouwde.
Wat is de chronologische volgorde?
Lord Brocktree, Martin the Warrior, Mossflower, The Legend of Luke, Outcast of Redwall, Mariel of Redwall, The Bellmaker, Salamandastron, Redwall, Mattimeo, Pearls of Lutra, The Long Patrol, Marlfox, The Taggerung, Triss, Loamhedge, Rakkety Tam, High Rhulain, Eulalia!, Doomwyte, The Sable Quean en The Rogue Crew.
Moet ik de boeken op volgorde lezen?
Niet per se. De meeste boeken hebben eigen hoofdpersonen. Alleen Redwall en Mattimeo, en Mariel of Redwall en The Bellmaker, delen dezelfde personages; lees die paren na elkaar.
Hoeveel Redwall-boeken zijn er?
Brian Jacques schreef 22 romans. Het laatste, The Rogue Crew, verscheen in 2011, kort na zijn dood.
Komt er nog een deel?
Er is een nieuw boek aangekondigd: Orphans of Mossflower, gepland voor 7 september 2027.